John William Coltrane, bijnaam Trane, wiens vader kleermaker en halftijds muzikant was, studeerde eerst klarinet en altsaxofoon. In 1943 verhuisde hij naar Philadelphia om verder te studeren aan de Ornstein School of Music en de Granoff Studios. John Coltrane speelde bij de zeemacht in 1946 nog altsaxofoon, maar koos vanaf 1947 voor de tenor.
In zijn beginperiode, vlak na de Tweede Wereldoorlog, speelde hij o.a. in de bands van Eddie "Cleanhead" Vinson, Dizzy Gillespie en Johnny Hodges. John Coltranes eerste opgenomen solo is te beluisteren op Dizzy Gillespies "We love to boogie" (1951).
Halverwege de jaren 50 volgde hij Sonny Rollins op als tenorist in het Miles Davis kwintet, dat later met altist Cannonball Adderley tot sextet werd uitgebreid. De ritmesectie van deze groep bestond in de tijd dat de beroemde plaat 'Kind of Blue' werd opgenomen uit pianist Wynton Kelly, bassist Paul Chambers en drummer Jimmy Cobb. Miles Davis zag zich in 1957 echter genoodzaakt om Coltrane te ontslaan wegens problemen met alcohol en drugsgebruik.
In deze periode (eind jaren vijftig) ontwikkelde John Coltrane een zeer snelle speelstijl, die Sheets of Sound wordt genoemd. Ook begon hij met het verkennen van de uithoeken van het harmonisch materiaal in de jazz: de LP Giant Steps (1959) is hier het bekendste voorbeeld van. Coltrane speelde samen met diverse jazz-grootheden van zijn tijd, van Duke Ellington tot Miles Davis. Hij oefende gemiddeld 8 uur per dag. In 10 jaar.....